De Heilige Doop

Puntuit_Doop_1

Er was een man, die zo arm was, dat hij geen geld had om eten te kopen. Op een dag vond hij een enveloppe met een acceptgirokaart. Daarop stond een geldbedrag, waardoor hij in één keer uit de schulden zou zijn. Hij hoefde slechts de acceptgiro bij de bank in te leveren. Dat was in deze situatie voor hem niet moeilijk. Hij wist hoe groot zijn schuld was. Hij moest naar die bank. Zijn armoede dwong hem daartoe.

Dit beeld wil iets van de doop duidelijk maken. In de doop krijgt een kind “een cheque” uitgereikt. Daarop staat de in bloed geschreven handtekening van Jezus Christus. God de Vader zegt Zijn Vaderlijke zorg toe. God de Zoon zegt toe met Zijn bloed van alle zonden te wassen.

Maar wie die cheque onder zijn hoofdkussen neerlegt, ontvangt niets. Want met die cheque zijn de schulden nog niet betaald. Hij moet naar de bank. De toezeggingen vragen om toe-eigening. De doop maakt niet zalig. De doop neemt ook niets van de schuld weg.

Want de mens staat vanaf het levensbegin bij God in de schuld. Nu is het noodzakelijk, dat Gods Geest dat leert verstaan. Want juist zo’n arme zondaar krijgt Christus nodig. Zelf alles te missen, maar wetend van die rijke dooptoezeggingen, te vluchten tot de God van je doop: “Heere, ik mis alles. Ik heb geen rechten. Ik heb niets verdiend. Maar schenk toch alles wat mij ontbreekt. Dat hebt U toch beloofd.” Dat is leven uit je doop!


Maarten Luther (1483-1546)
Oudvaders%201%20Calvijn%20Copy%20.jpg'Als ik naar mezelf kijk, word ik soms heel bang. Ik doe zoveel wat niet goed is. Dan zegt de duivel tegen me: 'Jij kunt toch niet zalig worden!' Weet je wat ik dan doe? Dan zeg ik hardop tegen mezelf: 'Ik ben gedoopt!' En dan denk ik er aan wat dat betekent: God heeft beloofd om mij mijn zonden niet aan te rekenen. En Hij heeft ook beloofd om de zonde in mij te doden. Ik oefen mezelf om dat steeds te geloven. Om mezelf steeds vast te houden aan Gods belofte bij mijn doop. Het is als een jas, die je elke dag weer aan moet doen.'

Johannes Calvijn (1509-1564)
'Wil je weten wat je hebt aan je doop? Dan moet je als eerste letten op wat God belooft als je wordt gedoopt. God belooft dat Hij je als Zijn kind aanneemt (adopteert). Zelfs als jij nog te klein bent om Hem 'Vader' te noemen. Doordat je bent gedoopt, weet je dat Hij je zonden heeft vergeven. En dat je bij Hem hoort. Je bent voor Hem geen vreemde. Als dat je niet interesseert, dan heb je er niets aan. Maar als je het gelooft, dan is het een enorme troost. Door de doop weet je extra zeker dat het waar is wat God belooft.'

Wilhelmus à Brakel (1635-1711)
Oudvaders%201%20Calvijn%20Copy%20.jpg'Telkens als ik mijn naam hoor, probeer ik er aan te denken dat God mijn naam ook heeft genoemd. Toen ik gedoopt werd, heeft Hij mijn naam genoemd en beloofd dat Hij mijn Vader wil zijn. Als ik niet weet of ik wel geloof, dan gebruik ik mijn doop om mezelf te troosten. Dan zeg ik tegen mezelf: wat God beloofd heeft, staat vast. Daar kan ik op vertrouwen en ik zie ook in mijn leven dat het waar is. Mijn doop helpt ook om tegen zonde te strijden. Als ik bij Christus hoor, wil ik toch geen zonde meer doen? Als er in de kerk een kindje wordt gedoopt, ga ik niet zitten praten, maar dan denk ik aan mijn eigen doop. En ik bid voor het kindje.'

Hermann Friedrich Kohlbrugge (1803-1875)
Oudvaders%201%20Calvijn%20Copy%20.jpg'Het gaat niet goed in de streek waar ik woon. Allerlei mensen komen in opstand en er wordt gevochten. We weten niet welke kant het op gaat. Er lijkt honger te komen. Hoe moet het dan met mijn gezin? Gelukkig weet ik dat God alles in Zijn hand heeft.
Ik denk vaak aan de doop. God heeft beloofd dat Hij ons hele leven onze Vader wil zijn. Van mij en van mijn kinderen. Hij heeft beloofd dat Hij alles zal geven wat we nodig hebben. En dat Hij het kwaad tot ons welzijn zal gebruiken. De Heere Jezus is de Heiland van ons en onze kinderen. De Heilige Geest is onze leraar en trooster. Daaraan klamp ik me vast. Voor mezelf, voor mijn vrouw en kinderen. Met mijn zonden, met mijn nood en met mijn lege maag.'

|