Vier of vijf vingers

Vingers

Op een eiland leefde een bijzonder volk. De mensen waren er allemaal vier vingers rijk. Ze leefden er gelukkig; ze hadden zo hun eigen regels en gewoonten. Van dag tot dag kabbelde het leven voort. De gesprekken, ’s avonds bij het kampvuur, gingen over het hier en nu. Van het hoogste belang was het om in het levensonderhoud te voorzien. Daar waren ze met elkaar veel mee bezig. Eigenlijk werkten ze altijd. Dat leverde veel geld op.

Vanuit een boek hadden ze van hun grootouders en ouders geleerd dat dit eiland niet hun eindbestemming was. Dat hun eilandleven als een doorreis was naar een beter land. Tja, dat boek… een verhaal apart. Gelezen werd het niet echt. Op hoofdlijnen kenden ze het wel. Maar hoe ze de vreemde inhoud van dat boek moesten in de praktijk brengen? Dat was hun een raadsel. Ze dachten er maar niet te veel over na. Daar werd je zo moe van. Zo leefden ze van generatie op generatie. De kinderen dachten en deden de dingen wel wat anders. De ouderen zagen het fronsend aan. Maar lieten het gaan. Praten over werk, ze wisten hoe dat moest. Maar spreken over het boek, dat hadden ze niet geleerd.

Op een slechte dag –of was het een goede, wie zal het zeggen– is een van hen te water geraakt. Verlamd keken de eilandbewoners toe hoe hij verder en verder afdreef. Wonder boven wonder overleefde hij. Spoelde aan op het vasteland. Tot zijn verbazing zag hij mensen die allemaal anders waren dan hij. Hier hadden ze niet vier, maar vijf vingers. Wie had dat voor mogelijk gehouden? Maar dat was het niet alleen. Het was geen Kerst meer. Toch gingen hun gesprekken dagelijks over de Zaligmaker. De mensen op het vasteland wilden niets liever dan dit Godskind, de hoofdpersoon uit hun boek, leren kennen. Ze lazen dat boek, ze spraken erover. Ze leefden hun leven en deden hun werk. Maar uit hun verhalen sprak heimwee naar een ander vaderland. Niet het vasteland. Geen eiland. Maar een land boven de sterren. Bij open vuren zongen ze van hun God van liefde, ontferming en genade. Pijn klonk in hun stemmen door als ze verhaalden hoe slechtheid hen in het bloed zat. De jubel klonk als ze zongen van de reinigende kracht van het bloed van een Lam. Hun Heere en Heiland, noemden ze Hem. Volgen wilden ze Hem.

De eilander verbaasde zich bovenmate. Wie had kunnen denken dat mensen vijf vingers konden hebben? Dat de wereld van buiten het eiland zo anders was dan hem altijd was geleerd? Die gemiste vinger, ach, daar kon hij mee leven. Maar al luisterend groeide in hem een hunkeren naar de Man van het boek. Naar Hem moest hij op zoek.

|

Laat een reactie achter